UNITED NATIONS ANGOLA VERIFICATION MISSION

(UNAVEM)

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ANGOLA

UNITED NATIONS ANGOLA VERIFICATION MISSION

Nederlandse betrokkenheid: 5 juli 1991 - 8 februari 1995 (UNAVEM II)
Nederlandse betrokkenheid: 8 februari 1995 - 5 juli 1997 (UNAVEM III)
Nederlandse betrokkenheid: Krijgsmachtdeel: landmacht, luchtmacht, marine en marechaussee
Totale aantal betrokken militairen: 516

Geschiedenis

Angola was al sinds het einde van de 15e eeuw Portugees koloniaal bezit. Het militaire bewind dat na de Anjerrevolutie in april 1975 aan de macht kwam in Portugal wilde de koloniale bezittingen zo snel mogelijk afstoten. De Angolese bevrijdingsbewegingen MPLA, UNITA en FNLA bleken echter niet in staat gezamenlijk een overgangsregering te vormen. Elke beweging probeerde vervolgens met geweld de macht te grijpen. Het startschot voor een burgeroorlog was daarmee gegeven. De Portugezen besloten de macht op 11 november 1975 over te dragen aan de MPLA, de partij die de hoofdstad Luanda in handen had.
In de tien jaren die volgden werd, de door de Sovjetunie en Cuba gesteunde, MPLA regering door een groot aantal landen erkend, maar UNITA bleef zich in het zuiden met Zuid-Afrikaanse hulp verzetten. In 1988 sloten Angola, Zuid-Afrika en Cuba het akkoord van Brazzaville over terugtrekking van de Zuid-Afrikaanse en de Cubaanse troepen uit Angola en Namibië (zie hiervoor de UNTAG-missie). De United Nations Angola Verification Mission I (UNAVEM I) zag toe op de terugtrekking van de Cubanen uit Angola.
De burgeroorlog duurde echter voort. Onderhandelingen tussen de MPLA-regering en UNITA resulteerden op 31 mei 1991 in het akkoord van Bicesse. Daarin werd, naast een wapenstilstand en de invoering van een markteconomie en een meerpartijenstelsel overeengekomen dat een aanzienlijk deel van de MPLA- en UNITA-strijders zou worden gekantonneerd en ontwapend, terwijl het resterende deel de basis moest vormen voor een nationaal Angolees leger (FAA). UNITA wenste bij de uitvoering van het akkoord verregaande bemoeienis van de VN. De MPLA was hier pertinent tegen. Het compromis was dat de MPLA en UNITA via gezamenlijke commissies, waarin vertegenwoordigers van beide partijen zitting hadden, toezicht zouden houden op de naleving van het akkoord. De commissies controleerden tevens de Angolese politie. De VN zouden slechts optreden als verificateur van de gezamenlijke commissies.


Het VN-mandaat en de taken van UNAVEM II

Vooruitlopend op de ratificatie van het akkoord van Bicesse toonde de Veiligheidsraad zich in resolutie 696 van 30 mei 1991 bereid de uitvoering ervan te ondersteunen. De resolutie mandateerde de vervolgmissie UNAVEM II, onder meer bestaande uit 350 militaire waarnemers en 90 politiewaarnemers gedurende zeventien maanden. De taken van UNAVEM II waren beperkt. Ze betroffen slechts deelaspecten van het akkoord van Bicesse: de VN hielden alleen toezicht op de gezamenlijke commissies die de wapenstilstand, de kantonnering, de ontwapening en de Angolese politie controleerden. De VN hadden weinig of geen invloed op de wijze waarop de partijen het vredesakkoord uitvoerden en het tempo waarin dit gebeurde.

Het verloop van de operatie en het Nederlandse aandeel in UNAVEM II
De Nederlandse regering besloot op 31 mei 1991, op verzoek van secretaris-generaal Boutros-Boutros-Ghali, deel te nemen aan UNAVEM-II. Nederland zegde tien militairen van de Koninklijke Landmacht en vijf van de Koninklijke Marine toe, die als militaire waarnemer werden ingezet. Een week later breidde de regering dit aanbod uit met tien leden van de Koninklijke Marechaussee, die als politiewaarnemer optraden.
Het oorspronkelijke UNAVEM-ontplooiingsplan ging ervan uit dat al het VN-personeel op 15 juni 1991 in Angola zou zijn zodat de missie op 30 juni operationeel kon worden. De eerste groep van vijf Nederlandse militaire waarnemers vertrok echter pas op 15 juli 1991. De overige negentien Nederlanders volgden op 19 september. Oorzaak van deze vertraging was dat de ‘chief military observer’ van UNAVEM nog niet voldoende financiële middelen had om alle waarnemers in één keer te ontvangen. De militaire waarnemers zouden in groepen van vijf in eerste instantie toezien op de gezamenlijke commissies die de kantonnering van alle MPLA- en UNITA-militairen in vijftig zogeheten ‘assembly areas’ moesten controleren. Eenmaal gecontroleerd zou ontwapening volgen zo was de bedoeling. Vervolgens zou een deel van de militairen naar huis worden gestuurd, terwijl de resterende militairen de basis voor een nieuw nationaal Angolees leger moesten gaan vormen. De waarnemers zagen daarnaast toe op de handhaving van het staakt-het-vuren. Daartoe werden in de meest ontvlambare gebieden 54 ‘critical point’ aangewezen, waar telkens twee waarnemers werden geplaatst. 22 Van deze punten vielen min of meer samen met de verzamelgebieden. De De UNAVEM-leiding plaatste de Nederlanders verspreid over het land. UNAVEM maakte onderscheid tussen zogenoemde A-, B-, en C-lokaties. Op een A-lokatie was het naar omstandigheden redelijk toeven. De C-lokaties in het binnenland daarentegen stonden bekend als bijzonder primitief en moesten bijvoorbeeld uit de lucht worden bevoorraad. Eind 1991 arriveerden de eerste ‘weather havens’ . Deze verblijven waren ingericht naar westerse maatstaven. Het hoofdkwartier constateerde desondanks dat een langdurig verblijf onder primitieve omstandigheden het moreel van de waarnemers aantastte. Daarom werden zij geregeld geroteerd, al ging daarmee wel kostbare ervaring en kennis van de lokale verhoudingen verloren.
De politiewaarnemers verbleven over het algemeen op relatief goede locaties. Zij waren namelijk gebonden aan de achttien provinciale hoofdsteden, waar de regionale politiehoofdkwartieren zich bevonden. De politiewaarnemers moesten de gezamenlijke Angolese waarnemersgroepen begeleiden en controleren bij hun toezicht op de neutraliteit van de Angolese politie. Het staakt het vuren hield stand tot en met de verkiezingen van 29 en 30 september 19092. De kantonnering, ontwapening en demobilisatie van de troepen was ondertussen minder voorspoedig verlopen. Soms wachtten de gekantonneerde troepen maanden achtereen in een kamp op de komende mobilisatie. Zei eisten voeding en kleding voor zichzelf maar ook voorhun buiten het lamp verblijvende vrouwen en kinderen. Het lange wachten en de gebrekkige logistieke verzorging deden hen vaak de wapens weer oppakken. Hoewel niet alle troepen waren gekantonneerd, werd in maart 1992 toch begonnen met de demobilisatie. Dit ging niet probleemloos. De regeringsteams die de te demobiliseren soldaten moesten voorzien van persoonsbewijzen, geld en kleding kwamen soms niet opdagen of hadden onvoldoende geld bij zich. De VN bleken vaak niet in staat het luchttransport op tijd te regelen. In september 1992 was nog niet de helft van alle troepen gedemobiliseerd. De registratie van stemgerechtigden verliep in de tussentijd bijzonder voorspoedig, terwijl zich tijdens de verkiezingscampagne geen noemenswaardige incidenten voordeden. Veel militaire en politiewaarnemers kregen een spoedcursus tot verkiezingswaarnemers. Zij zagen samen met enkele honderden internationale civiele verkiezingswaarnemers toe op een juist verloop van de presidentsverkiezingen en de verkiezingen van de wetgevende vergadering van 29 en 30 september 1992. De verkiezingen werden gewonnen door de MPLA. UNITA beschuldigde de MPLA echter van verkiezjngsfraude, legde de uitslag naast zich neer en groef de strijdbijl weer op. Veel waarnemersteams kwamen letterlijk onder vuur te liggen.
Het hele Nederlandse waarnemerscontingent was inmiddels tweemaal geroteerd. Het aantal marechaussees was op verzoek van de VN in juni 1992 van tien tot twaalf en eind 1992 tot dertien personen uitgebreid. Het totale aantal politiewaarnemers van UNAVEM steeg overigens van 90 naar 126. Het aantal landmachtmilitairen in Angola klom in de periode tot december1992 geleidelijk van tien naar veertien, terwijl de marine na december 1992 onzeker omdat het lang onduidelijk was of de Veiligheidsraad het mandaat van UNAVEM zou verlengen. De militairen van deze rotatie kwamen terecht in een situatie die allengs verder verslechterde. In januari 1993 ontruimde UNAVEM vanwege het geweld 45 VN-locaties en trok de bijbehorende waarnemers terug naar Luanda. Pogingen van de VN om door onderhandelingen het vredesproces te redden mislukten. De VN brachten daarom de omvang van UNAVEM II terug tot 75 militaire en 25 politiewaarnemers. Na een verblijf van slechts twee maanden repatrieerden 14 van de 27 Nederlanders. Luitenant-kolonel Leen Noordsij was als personeelsofficier van het UNAVEM-hoofdkwartier nauw betrokken bij de totstandkoming en de uitvoering van dit inkrimpingsbesluit betrokken. Enkele maanden later kromp Nederland zijn contingent nog verder in: de overgebleven 13 waarnemers werden in juli 1993 vervangen door 2 KL-militairen en 2 marechaussees. Deze situatie bleef tot 3 januari 1995 ongewijzigd. UNAVEM-II trok zich in vijf steden aan de kust terug.


Het verloop van de operatie en het Nederlandse aandeel in UNAVEM-II

UNITA en de MPLA toonden zich in november 1993 bereid weer aan de onderhandelingen aan te schuiven. Beide partijen ondertekenden op 20 november 1994 het protocol van Lusaka.Dit protocol vertoonde grote gelijkenis met het vredesakkoord van Bicesse. De VN hadden echter een grotere vinger in de pap. Beide partijen stemden in met een nieuwe en omvangrijker VN-operatie in Angola, UNAVEM III. Het leeuwendeel van UNAVEM III zou bestaan uit zo’n 7.000 infanteristen. Tot de oprichting van deze vredesmacht, ter ondersteuning van het akkoord van Bicesse, besloot de Veiligheidsraad formeel op 8 februari 1995 in resolutie 976. UNAVEM III zou direct van start gaan, zij het dat de infanterie-eenheden zich pas zouden ontplooien nadat de partijen aan een aantal voorwaarden hadden voldaan. De waarnemers van UNAVEM III zagen tot die tijd toe op de uitvoering van de afspraken tussen de MPLA en UNITA. Deze waarnemers waren afkomstig van UNAVEM II, dat zich direct na het ingaan van het bestand weer had ontplooid in de provinciehoofdsteden. De sterkte was daartoe ook opgevoerd.. Zo arriveerden in januari 1995 twintig Nederlandse militaire en politiewaarnemers in Angola. Het aantal waarnemers steeg in de periode tot 1 maart tot 418 personen verdeeld over 39 locaties. De 24 Nederlanders kregen op 7 maart 1995 versterking van een militaire en een politiewaarnemer. Het aantal Nederlandse waarnemers liep echter tussen maart 1995 en augustus 1996 geleidelijk terug van 26 naar 20 om vervolgens in januari 1997 weer te stijgen tot 26. Het aandeel van de marechaussee schommelde in deze periode tussen 8 en 10 personen. Door een ongeval overleed op 1 februari 1997 wachtmeester I Fred Nieuman (KMar). Tijdens het zwemmen werd hij door een krokodil gegrepen.
De uitvoering van het Lusaka-protocol liep grote vertraging op. Met name UNITA toonde zich huiverig om grote aantallen troepen te demobiliseren. De leider van UNITA, Jonas Savimbi, voelde er daarnaast weinig voor zitting te nemen in een regering van nationale eenheid. Het broze bestand sneuvelde dan ook weer in mei 1997. Daaraan droeg ook de vluchtelingenstroom bij uit het buurland Zaïre (Congo), die deels bestond uit voormalige militairen van het Zaïrese regeringsleger die Savimbi hun diensten aanboden. Verder weigerde UNITA afstand te doen van haar belangen in de diamantrijke gebieden in de noordoostelijke provincies, waarmee UNITA haar oorlogsinspanningen financierde. Het mandaat van UNAVEM III liep in juni 1997 op zijn eind. De Veiligheidsraad besloot als opvolger van UNAVEM III de de United Nations Observer Missionh in Angola (UNOMA) in het leven te roepen. De Nederlandse regering besloot hier niet aan deel te nemen. De laatste Nederlandse waarnemers keerden op 5 juli 1997 terug in eigen land.
Op 21 februari 2002 werd de leider van UNITA gedood. Jonas Savimbi werd door 15 geweerkogels getroffen waarvan twee in het hoofd. Sindsdien bleef er van UNITA ook niet veel meer over en kreeg het verwoeste Angola eindelijk rust.

Contingentscommandanten UNAVEM-II

lkol P.H.G. Horsting (5 juli 1991 - 10 december 1991)
lkol P. Bruinink (10 december 1991 - 3 juni 1992)
lkol J.R. Horsting (3 juni 1992 - 11 november 1992)
lkol L. Noordsij (8 december 1992 - 12 juni 1993)
kap J. Vrij (12 juni 1993 - 16 december 1993)
maj G.O. Molenveld (16 december 1993 - 10 juni 1994)
kap P.B. Soldaat (10 juni 1994 - 13 december 1994)

Contingentscommandanten UNAVEM-III

lkol A.G.J. Dikkerboom (3 januari 1995 - 4 juli 1995)
lkol L. Noordsij (4 juli 1995 - 4 juli 1996)
lkol I.P.M. Holtel (4 juli 1996 - 2 januari 1997)
lkol R.E.B. Zandstra (2 januari 1997 - 4 juli 1997)

Bron: Van Korea tot Kosovo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deelnemende landen:36
             
 
Argentinië
 
Bangladesh
 
Brazilië
 
Bulgarije
 
Congo
 
Egypte
 
             
 
Fiji
 
Frankrijk
 
Guinea Bissau
 
Hongarije
 
India
 
Italië
 
             
 
Jordanië
 
Kenia
 
Korea
 
Maleisië
 
Mali
 
Namibië
 
             
 
Nederland
 
Nieuw Zeeland
 
Nigeria
 
Noorwegen
 
Pakistan
 
Polen
 
             
 
Portugal
 
Roemenië
 
Rusland
 
Senegal
 
Spanje
 
Zweden
 
             
 
Tanzania
 
Oekraïne
 
Groot Brittanië
 
Uruguay
 
Zambia
 
Zimbabwe
 

 

   
 
  De Nederlandse waarnemers in de provinciehoofdstad Saurimo werden in Weatherhavens ondergebracht (Foto: NIMH).  
Kapitein der Mariniers R. de Bruin (midden links) overlegt in januari 1992 met leden van het gezamenlijke Angolese waarnemersteam in N'dalatando (Foto: NIMH).
 

 

       
  Wachtmeester 1 R. den Besten meldt zich begin 1992 op weg naar zijn post in Caxito (Foto: NIMH).